Veel mensen gaan naar buiten zodra in ons land de zon doorbreekt en het warmer wordt. Maar niet iedereen beschermt zich afdoende tegen de schadelijke gevolgen van het zonnebaden. Adviezen om bijvoorbeeld een goede antizonnebrandcrème te gebruiken schieten er nogal eens bij in, zelfs in warmere landen tijdens een strandvakantie.
Hoewel de situatie in Nederland gelukkig minder bedreigend is dan in pakweg Italië, Thailand of Mexico, is het ook hier van belang om niet te lang onbeschermd te zonnebaden. Met ‘Verstandig zonnen’-campagnes van KWF Kankerbestrijding wordt geprobeerd de bevolking ertoe te bewegen niet al te veel en langdurig in de zon te komen. Er worden vuistregels meegegeven: ga niet zonnebaden tussen 12.00 uur en 15.00 uur, verbrand niet en neem zonbeschermingsmaatregelen bij langdurige blootstelling.
Een advies om de zon strikt te mijden zou ongeloofwaardig en onrealistisch zijn.
Daarom is gekozen voor het credo ‘zon verstandig’. Het volledig mijden van de zon heeft bovendien keerzijden. De zon heeft namelijk ook verschillende gunstige invloeden. Al langer was het belang bekend voor de bothuishouding en spierfunctie, omdat ultraviolette straling (UV-straling) in belangrijke mate bijdraagt aan het voorzien in onze vitamine D-behoefte. Daarom volgt KWF Kankerbestrijding het advies van de Gezondheidsraad dat een dagelijkse blootstelling van hoofd en handen aan de middagzon gedurende ongeveer 15 minuten voldoende is voor de aanmaak van vitamine D. Inmiddels hebben laboratoriumexperimenten ook aangetoond dat vitamine D de deling van bepaalde cellen (in bijvoorbeeld de darmwand) kan beïnvloeden en de groei van sommige kankercellen kan remmen.
Deze ontwikkelingen hebben tot nieuwe vragen geleid. Wat weten wetenschappers precies over de relatie tussen kanker, zonnestraling en vitamine D? Welke conclusies zijn hieruit te trekken voor ons zongedrag? Om hierop antwoord te kunnen geven formeerde de Signaleringscommissie Kanker (SCK) van KWF Kankerbestrijding de werkgroep ‘Relatie kanker, zonlicht en vitamine D’. Die heeft verschillende, eerder gepubliceerde onderzoeken (van de periode 1960 tot 2009) tegen het licht gehouden, zoals klimatologische, epidemiologische en experimentele studies. Ze zijn naast elkaar gelegd, op zoek naar de vraag welke (nieuwe) verbanden er waren te leggen en
wat mogelijk daarvan de oorzaken waren. Dit rapport is hiervan het resultaat.
Bevindingen
Zeven bevindingen zijn het resultaat. Soms meent de werkgroep dat er ‘voldoende
bewijs’ bestaat voor een oorzakelijk verband. Maar dit betekent niet dat er met
absolute zekerheid over zo’n verband kan worden gesproken. Ook andere, onbekende factoren kunnen een rol spelen. Daarnaast spreekt de werkgroep soms van ‘aanwijzingen’: weliswaar ondersteunen de gegevens een oorzakelijk verband, maar in mindere mate. Bijvoorbeeld vanwege tegenstrijdige resultaten of omdat andere factoren mogelijk nog een rol spelen. Ten slotte, bij ‘onvoldoende bewijs’ zou het niet mogelijk zijn verbanden te leggen tussen de resultaten van zonblootstelling of vitamine D-status en een bepaalde vorm van kanker.
• De eerste bevinding luidt dat er een verband blijkt te bestaan tussen enerzijds een hogere blootstelling aan zonnestraling en anderzijds een lagere kans op het optreden van darm-, prostaat- en borstkanker en van het non-Hodgkin-lymfoom én op overlijden aan darm-, prostaat- en borstkanker. Laboratoriumexperimenten tonen aan dat deze vormen van kanker kunnen worden geremd door een hoge vitamine D-status. Hierdoor zou je kunnen zeggen dat er een gunstige invloed is van zonblootstelling, als voornaamste bron van vitamine D. Daarom spreekt de werkgroep hier van een ‘aanwijzing’.
• Als tweede bevinding noemt de werkgroep een waargenomen verlaagd risico op darmkanker bij mensen met hoge vitamine D-spiegels in het bloed. Hier bestaat voldoende bewijs om een oorzakelijk verband te kunnen leggen. Dit in tegenstelling tot het innemen van vitamine D-suppletie: dan is het bewijs onvoldoende dat dit de kans op darmkanker verlaagt. Toch zou er van enig effect sprake kúnnen zijn, omdat de uitgevoerde studies te klein waren of de vitamine D-doses te laag.
• Een derde bevinding is dat mensen in Nederland voor een belangrijk deel van hun
vitamine D-behoefte aangewezen zijn op blootstelling aan zonnestraling. De UVstraling
ervan is verantwoordelijk voor de vorming van vitamine D. Een kortdurende blootstelling van een groter huidoppervlak geniet de voorkeur boven een lange blootstelling van een beperkt huidoppervlak. Dit is namelijk beter voor een efficiënte vitamine D-productie én het verkleint de kans op zonverbranding.
• Vierde bevinding is dat niet nauwkeurig is te zeggen hoevéél vitamine D er wordt gevormd bij een bepaalde zonsterkte en blootstelling van een bepaalde hoeveelheid huid. Dit varieert per persoon, per huidtype en per hoeveelheid blootgestelde huid. Maar naar schatting is voor de blanke huid ongeveer 15 tot 30 minuten blootstelling voldoende, in de zomer, rond het middaguur. Of deze blootstelling voldoende is voor een beschermend effect op kanker is niet bekend. Normaal gebruik van antizonnebrandcrèmes in de zomer blijkt geen wezenlijk effect te hebben op de vitamine D-status. De vitamine D-spiegels in het bloed variëren ook in Nederland met de seizoenen. Ze zijn aan het eind van de winter het laagst, als gevolg van een gebrek aan UV-straling in het zonlicht.
• Ten vijfde meent de werkgroep dat bepaalde bevolkingsgroepen extra risico lopen op het ontstaan van een vitamine D-tekort, omdat zij te weinig aan de zon worden blootgesteld. Dit is onder meer het geval bij mensen met een donkere (gepigmenteerde) huid en bij ouderen. Ook lichaamsbedekkende kleding kan van invloed zijn, evenals het te weinig of niet buiten komen.
• Een zesde bevinding: zonnestraling, met name het UV daarin, is de belangrijkste omgevingsrisicofactor voor huidkanker; de werkgroep spreekt hier van ‘voldoende bewijs’.
• Laatste bevinding: in het algemeen geldt dat overmatige blootstelling aan de zon die tot zonverbranding leidt, alleen maar nadelen heeft voor de gezondheid.
Invloed op vorming kankercellen
Langer was al bekend dat blootstelling aan de zon nadelige én gunstige gezondheidseffecten kan hebben. Daar komen nu aanwijzingen bij voor een gunstige invloed op het optreden van en de sterfte aan de hierboven al genoemde vormen van kanker. Geregelde zonblootstelling zou de kans op deze vormen van kanker kunnen verkleinen. Hoewel dit niet vaststaat, mag worden aangenomen dat vitamine D hierbij een rol speelt. Het lijkt daarom realistisch - én i.
De relatie tussen kanker, zonnestraling en vitamine D
overeenstemming met de huidige wetenschappelijke kennis - te adviseren dat het lichaam adequaat van vitamine D wordt voorzien door onder andere een geregelde, matige blootstelling aan de zon. Overmatig zonnebaden met verbranding als gevolg moet worden vermeden, omdat dit kan leiden tot melanomen en basaalcelcarcinomen; bij geregelde, matige zonblootstelling hoeft van dit risico geen sprake te zijn.
Aanbevelingen
Op grond van de 7 genoemde bevindingen doet de werkgroep 3 aanbevelingen. Zij weegt hierbij het negatieve gevolg (optreden van huidkanker) af tegen het gunstige gevolg (vorming van vitamine D en mogelijk terugdringen van verschillende kankervormen).
Allereerst moet zonverbranding worden vermeden en wordt langdurig zonnebaden afgeraden. Bij een verwachte langdurige blootstelling is het gebruik van antizonnebrandmiddelen op onbedekte huiddelen sterk aan te bevelen.
Een tweede aanbeveling: geregelde, matige blootstelling aan zonnestraling is gewenst om in de vitamine D-behoefte te voorzien. Dit draagt bovendien mogelijk bij aan het terugdringen van diverse vormen van kanker. De gemiddelde, blanke inwoner van Nederland lijkt in de zomer voldoende vitamine D aan te maken.
Hiertoe volstaat een 15 tot 30 minuten durend verblijf in de zomerzon, tussen 12.00 uur en 15.00 uur als hoofd, handen en onderarmen onbedekt zijn. Is meer huid blootgesteld, dan volstaat minder tijd.
De derde aanbeveling luidt: aanvullende maatregelen zijn nodig voor mensen met een donkere huid, mensen met een huid die niet of nauwelijks aan de zon wordt blootgesteld of voor oudere mensen. Deze groepen doen er verstandig aan de blootstelling aan de zon te verhogen. Ook zouden zij in de vitamine D-behoefte kunnen voorzien door gebruik van supplementen volgens de richtlijnen van de Gezondheidsraad uit 2008.